4e periode: juni 1944 - mei 1945
![]() |
| Plakboek met berichten over de invasie. |
Spoorwegstaking
De Nederlandse regering in Londen zegt dat de spoorwegmensen moeten staken. Als de treinen niet meer rijden kan het Duitse leger er geen soldaten en wapens mee vervoeren. Dat is belangrijk omdat het geallieerde leger soldaten willen droppen bij Arnhem om daar de Duitsers te verjagen. Dan kunnen ze de rivieren over om de rest van Nederland te bevrijden. De luchtlanding mislukt, maar alle 30.000 spoorwegmensen staken tot het einde van de bezetting. Ze moeten allemaal onderduiken.
| In het museum. |
Verzet groeit
Het verzet wordt sterker maar de Duitse bezetters reageren keihard. Na verzetsacties schieten ze voor straf onschuldige mensen dood. Vaak in het openbaar om de Nederlanders bang te maken. Drie gewapende verzetsgroepen gaan samenwerken in een soort leger: de Binnenlandse Strijdkrachten. Prins Bernhard wordt de opperbevelhebber. Geallieerde vliegtuigen voeren wapendroppings uit voor dit verzetsleger.
Hongersnood
Tegen het einde van de oorlog vinden de Duitsers het goed om dat de hongerende bevolking hulp krijgt. De kerken brengen 50.000 ondervoede stadskinderen naar Noord- en Oost-Nederland. Het Rode Kruis stuurt een schip met meel uit Zweden. In april droppengeallieerde vliegtuigen voedselpakketten.